Belastingplan 2015: geen verlenging tijdelijke maatregelen overdrachtsbelasting

Per 1 januari 2015 wordt de termijn van artikel 13 Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) weer teruggebracht naar 6 maanden. De tijdelijke verruiming van deze termijn tot 36 maanden wordt niet voortgezet. Per 1 januari 2015 wordt ook de termijn van artikel 15 lid 6 Wet BRV gesteld op 6 maanden. Dit schrijft staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2015.

De termijn van 6 maanden genoemd in artikel 13 Wet BRV is bij het Belastingplan 2013 verruimd tot 36 maanden indien de vorige verkrijging door een ander heeft plaatsgevonden tussen 31 augustus 2012 en 1 januari 2015 (artikel 3 Uitvoeringsbesluit BRV). De termijn van 6 maanden genoemd in de zogenoemde projectontwikkelaarsresolutie is bij het Belastingplan 2013 verruimd en bedraagt 24 maanden na het tijdstip van de eerste ingebruikneming of de ingangsdatum van de verhuur als deze vóór het tijdstip van de eerste ingebruikneming ligt en geldt indien het tijdstip van de eerste ingebruikneming of de ingangsdatum van de verhuur als deze vóór het tijdstip van de eerste ingebruikneming ligt, is gelegen tussen 31 oktober 2012 en 1 januari 2015 (artikel 3a Uitvoeringsbesluit BRV).
De maatregelen werken na 1 januari 2015 nog wel door als de vorige verkrijging respectievelijk de eerste ingebruikneming of de eerdere verhuur heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2015. De notaris dient zich op grond van de op hem van toepassing zijnde beroeps- en gedragsregels op de gebruikelijk wijze ervan te vergewissen dat het door zijn cliënten gepresenteerde feitencomplex juist is. Een notaris die weet of ernstige reden heeft aan te nemen dat partijen onwaarheid spreken over de datum van eerste ingebruikneming dan wel eerdere ingangsdatum van de verhuur zal op grond hiervan zijn medewerking aan het passeren van de akte moeten weigeren.

Woning in aanbouw en eigenwoningregeling
Naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 3 oktober 2014 (HR:2014:2872 en HR:2014:2873), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen hypotheekrenteaftrek toestaat voor een nieuwbouwwoning tot het moment van heien of fundering leggen, heeft Wiebes aangegeven dat de uitleg van de Hoge Raad van het begrip ‘woning in aanbouw’ in artikel 3.111 lid 3 Wet Inkomstenbelasting een andere is dan die de wetgever voor ogen heeft gestaan. De wetgever beoogde ook in de situatie dat concrete stappen zijn gezet waaruit naar redelijke verwachting valt aan te nemen dat de bouwwerkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen, sprake te laten zijn van een woning in aanbouw. Deze uitleg van het begrip ‘woning in aanbouw’ voor de eigenwoningregeling wordt in de praktijk ook toegepast door de Belastingdienst. Het kabinet wil de nu ontstane onduidelijkheid rond het begrip ‘woning in aanbouw’ wegnemen door middels wetswijziging voornoemde beoogde uitleg nadrukkelijk kenbaar te maken. Vooruitlopend daarop zal bij beleidsbesluit worden goedgekeurd dat de huidige praktijk wordt voortgezet. De arresten zijn daarom niet van invloed op de huidige wijze van beoordeling van de aftrekbaarheid van bouwrente, hypotheekrente of de kosten die verband houden met het aangaan van een hypotheek.

Woning in aanbouw en tijdelijk verruimde schenkingsvrijstelling
Verder gaat Wiebes in op de vraag naar de gevolgen van voormelde uitspraken voor de verruimde schenkingsvrijstelling. De tijdelijk verruimde vrijstelling voor de schenkbelasting heeft voor zowel nieuwbouwwoningen als voor bestaande woningen de voorwaarde dat als de schenking wordt gedaan voor de betaling van (een deel van) de koopsom of aflossing van (een deel van) de eigenwoningschuld, de betaling respectievelijk de aflossing plaatsvindt in de periode 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2014. Het alleen ondertekenen van een koop/aannemingsovereenkomst in 2014 voor een nieuwbouwwoning of een koopovereenkomst voor een bestaande woning is dus onvoldoende voor toepassing van de tijdelijk verruimde schenkbelastingvrijstelling in 2014. De besteding van het geschonken bedrag ten behoeve van de eigen woning in de zin van artikel 3.111 lid 1 of lid 3 Wet IB moet voor toepassing van de tijdelijk verruimde vrijstelling van de schenkbelasting in 2014 geschieden. Indien en voor zover het geschonken bedrag pas na 2014 wordt besteed aan bouwtermijnen is de tijdelijk verruimde vrijstelling daarop niet van toepassing. Op deze hoofdregel wil Wiebes één versoepeling aanbrengen. Voor situaties waarin in 2014 al een begin is gemaakt met de besteding van een geschonken bedrag voor een woning in aanbouw, is hij voornemens goed te keuren dat indien het geschonken bedrag in 2014 nog niet geheel kan worden besteed aan de woning in aanbouw omdat in 2014 nog onvoldoende bouwtermijnen zijn vervallen, de tijdelijk verruimde vrijstelling dan toch van toepassing kan zijn op de besteding van het resterende bedrag in 2015. Het in 2014 nog niet bestede bedrag moet dan besteed worden aan de eerstvolgende bouwtermijn(en) in 2015. Hij overweegt hierbij als voorwaarde op te nemen dat de levering van de bouwgrond bij notariële akte in 2014 heeft plaatsgevonden. De exacte voorwaarden waaraan deze goedkeuring gebonden is, zal Wiebes op korte termijn in een beleidsbesluit bekendmaken.

Erfpachtconstructies
Gevraagd is naar de opvatting van het kabinet over zogenoemde erfpachtconstructies waarbij een eigen woning wordt overgedragen en aan de voormalige eigenaar een erfpachtrecht (en opstalrecht) met betrekking tot de woning wordt toegekend. Wiebes heeft aangegeven dat het kabinet het niet toelaatbaar acht wanneer deze erfpachtconstructies zouden leiden tot aftrekvan erfpachtcanons. De Belastingdienst bestrijdt dit soort constructies actief, en met succes. Op 10 oktober 2014 heeft de Hoge Raad (HR:2014:2927) in een dergelijke zaak geoordeeld dat aftrek van erfpachtcanons niet is toegestaan in een situatie waarin iemand zijn woning had verkocht aan een financiële instelling tegen de verwerving van een recht van erfpacht op de grond en een daarvan afhankelijk recht van opstal op de woning.

Belastingrente
Verder heeft Wiebes aangegeven dat uit artikel 30g lid 3 AWR volgt dat een erfgenaam belastingrente kan voorkomen door binnen 17 weken na het overlijden aangifte te doen of binnen 22 weken een verzoek te doen tot het opleggen van een voorlopige aanslag. Geen belastingrente kan worden vermeden bij een verkrijging van een erfenis onder een opschortende voorwaarde, omdat het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend direct gaat lopen bij het in vervulling gaan van de voorwaarde. Wel geldt dat de periode waarover belastingrente wordt berekend wordt beperkt door artikel 30g lid 3 AWR. De aanslag van de persoon die door vervulling van een voorwaarde (een gedeelte van) zijn aanspraak op de erfenis verliest wordt ingevolge artikel 53 SW verminderd. Naast vermindering van de aanslag wordt eerder in rekening gebrachte belastingrente naar evenredigheid teruggegeven.

Bron: KNB Notarisnet

Vacature

Vind jij het leuk om te klussen en ben je een paar uur per week beschikbaar? Dan hebben wij de ideale baan voor jou! Wij zijn namelijk op zoek naar een facilitair medewerker (klusjesman).
Lees meer>

 

Wereldrecord Langst levende vlecht!

Onder toeziend oog is van notaris Hans Eskens (Actus Notarissen, Alkmaar) is het wereldrecord Langst levende vlecht behaald!
Lees meer>

 foto: JJFoto.nl/Jan Jong